Het Reuzengeslacht, de Jötun
De primaire krachten in de natuur, die rauw, ontembaar, onpersoonlijk en ongebonden zijn, zijn toe te schrijven aan het Reuzenvolk. Voordat er goden waren, waren er Reuzen. Ze staan aan het begin van de schepping en aan de basis van echt alles dat er bestaat. Er is een heel multiversum uit het Reuzengeslacht ontstaan.

In de Noordse mythologie worden de Jötun, Thursen of Reuzen genoemd en beschreven. Ze bewonen Jotunheim volgens de Noordse kosmogonie, één van de negen werelden van de Yggdrasil, de ‘Wereldboom’. Die wereldboom strekt zich uit door die negen werelden in alle richtingen. Je ‘kijkt’ dus o.a. naar een heel oude tijd, maar ook naar de boven- en naar de benedenwereld en kunt wijzer worden van al wat je daar ziet. Die Noordse kosmogonie beschrijft de structuur van het heelal en het ontstaan ervan en daarin leven en evolueren elfen, goden, reuzen en de mens.

De kinderen van Reuzin Angrboða: Jörmungandr, de wereldslang, de wolf Fenrir en Hel. Jörmungandr ligt in een cirkel om Midgard, de wereld heen. Zijn kop reikt tot aan de punt van zijn staart (Ouroboros). Fenrir is het monster van Ragnarok. Hij zou een beslissende rol in de definitieve strijd tussen goden en mensen spelen. De doodsgodin Hel kreeg uiteindelijk het gezag over de onderwereld Helheim en Niflheim.

De meeste reuzen vertegenwoordigen aspecten van het natuurgeweld, zoals Vorstreuzen, Water- en Oceaanreuzen, Vuurreuzen, Lucht- en Stormreuzen, Berg- en Steenreuzen en Woudreuzen.

‘De slagen van de drum brachten mij dieper in trance om in contact te komen met het Reuzenvolk. Hoog boven de aarde torenden ze uit, het waren er twee, een man en een vrouw. Ik stond bovenop de aarde, op onze mooie planeet in onze eigen dimensie. Zij keken ernaar, ze raakten mij niet aan en oefenden op geen enkele manier druk op mij uit om iets te doen. Ze waren er gewoon, ze waren er namelijk al die tijd al en ze zijn er nu en ze zullen er altijd zijn. Ze stonden tegenover de aarde aan een andere kant en tussen ons in was een gapend gat’.

Chaos, dat zijn de reuzen. Instincten, dat zijn de reuzen, maar zij die aan de basis van de schepping staan hebben oerkracht en oerwijsheid in zich. Ze weten alles over ‘in den beginne’. Zelfs magie en toverkracht worden aan hen toegeschreven. In ons mensen is ook nog steeds zo’n stuk brein aanwezig, het reptielenbrein. Dit kan niet voelen en leert niet van fouten, kan zich niet inleven in een ander en is rauw en ruw, maar het ís er wel. We hoeven er niet veel mee te doen, liever niet, maar er huist daar wel iets van oerkennis en oerwijsheid.

Reuzen ontvoeren Freyja © Arthur Rackhman

Misschien ook wel dat wij niet álles moeten bedwingen en aan regels onderwerpen. Dat, als wij ons ‘geciviliseerd’ noemen, wij ons er ook eens naar moeten gedragen. Of als wij er heilig van overtuigd zijn dat (technologische) vooruitgang het enige juiste is, eens terug in de tijd moeten kijken om te ontdekken dat die vooruitgang maar betrekkelijk is en niet per definitie het beste.

© John Bauer

‘We verlieten de veilige haven van onze nederzetting en liepen het duistere, woeste woud in. Het oerbos. Een scheidslijn tussen ons omheinde Heim en Ontembaar en Wild. Daar stonden ze en keken naar mij. Ze zeiden niets, deden niets, maar gaven aan ‘tot hier en niet verder’. Ze lieten zich zien, maar niet van dichtbij. Ik vond ze wel ‘cool’ en was zeker niet bang, maar ik hoefde geen liefde, niet een aai over mijn bol, of een hug te verwachten. Daar zijn ze niet voor en daar zit geen betekenis in. Toch dróeg hun aanwezigheid. Het Oer draagt namelijk het fundament van alles dat wij zijn, uitgestrekt over meerdere lagen en werelden’.

Antero Vipunen is een Reus die voorkomt in de Kalevala, het epos van de Finnen. Hij is sluimerend in de aarde, maar wordt door de god Väinämöinen met scherpe metalen staven in zijn mond en maag gestoken. Op die manier laat Antero Vipunen woorden los, toverspreuken, die Väinämöinen nou net nodig had. Ook hier weer wordt magie en de kennis van spreuken en oude wijsheid toegeschreven aan een Reus.

‘ Vipunen, zo rijk aan zangen,
hij, de oude, machtig-sterke,
lag met al zijn liederen neder,
languit daar met al zijn spreuken,
espen groeiden op zijn schouders,
op zijn slapen wuifden berken,
op zijn kin een elzestruikje,
in zijn baard daar groeiden wilgen,
op zijn voorhoofd stond een fijnspar,
tussen tanden toornd’ een grofspar.

Reeds verschijnt daar Väinämöinen,
trekt zijn zwaard, ontbloot het lemmet
uit de sterke leren schede
aan de brede leren gordel,
velt de espen op de schouders,
velt de berken op de slapen,
van de kin het elzestruikje,
van de baard de wilgenhagen,
van het voorhoofd ook de fijnspar,
velt de grofspar tussen tanden.

Stoot met kracht de staaf van ijzer
in Vipunens mond, de grote,
in de wijde, open kaken,
door de kin die eeuwig kleppert,
spreekt daarbij dan deze woorden:
‘Sta nu op, o knecht der mensen,
uit je onderaardse sluimer,
uit dit eindeloze slapen”

Uit: Kalevala Zeventiende Rune 57

Vafþrúðnir is één van de Jötun. Hij is sterk in het weven en opgeven van moeilijke raadsels.In de Vafþrúðnismál – Het lied van de Sterke Mangelaar, uit de Edda, wil Odin graag zijn krachten meten met deze wijze Reus.

Het overwicht van Odin op de reus wordt al duidelijk door de vragen alleen, naar gebeurtenissen uit het oerverleden en ten slotte de scheppingsmythe zelf. De reus is nu letterlijk in zijn element, want de kosmos is uit de oerreus Ymir ontstaan, en uit hem zijn alle reuzen voortgekomen als eerste levende entiteiten.

Odin gaat dan over op zaken van de godenwereld, maar de reus weet blijkbaar zelfs van de Einherjar af. Hij is immers in alle werelden geweest, en kent de hele kosmos, beweert hij trots. Daarop schakelt Odin over op een nieuwe reeks vragen en wijst met fijne ironie op zijn eigen bereisdheid. Hij brengt het onderwerp van onderzoek richting toekomst tot over de grensfase van het einde van de werelden naar de vernieuwing daarvan – Ragnarök.

(Wikipedia)

Er is een eeuwige strijd gaande tussen de goden en de Reuzen en die soms clasht in een vernietigende titanenstrijd. De goden worden gezien als gestructureerd en beschaafd, orde, terwijl de Reuzen worden bestempeld als primitief, lomp en destructief, chaos. Maar hé, er is nooit geschapen vanuit orde, er is geen beweging zonder chaos. Reuzen representeren onze wilde, ontembare kant. We hebben een meer verfijnd brein gekregen dat empathie kent en emoties kan tonen naar anderen, maar er is nog steeds een wild stuk in ons. Daar huist kracht en macht. Zonder die chaos kan er nooit iets stoppen of sterven en weer iets nieuws geboren worden.

This Primal God zijn de Reuzen, de Jötun, Etin of Thursen. Aan de basis van dood en wedergeboorte. In essentie zijn die krachten uit de oertijd nog altijd daar. Het houdt onze wereld levend.

Kijk maar uit, wie weet vind je ze hier wel!
© Tiina Törmänen

Bron:
“The Jotunbok” door Raven Kaldera
“Seidr, het Noordse pad” door Linda Wormhoudt

Door Christel Nijland (Shama Kaur)

Pin It on Pinterest

Share This